UA-19815817

keuzeregeling: alle inkomsten relevant voor voorkoming van dubbele belasting

Posted on Feb 4, 2014 in belasting, inkomen, wereldinkomen

03 feb 2014

Als een buitenlands belastingplichtige kiest voor een fiscale behandeling als binnenlands belastingplichtige mag Nederland bij de berekening van de voorkoming van dubbele belasting rekening houden met alle bestanddelen van het wereldinkomen. Dit geldt óók voor de inkomensbestanddelen die volgens het desbetreffende belastingverdrag aan de andere verdragsluitende staat exclusief ter heffing zijn toegewezen. Tot dit oordeel kwam onlangs de Hoge Raad in twee procedures.

De procedures hadden betrekking op een inwoner van Duitsland respectievelijk België die in 2007 aldaar een eigen woning hadden. Zij genoten ook inkomen -een pensioenuitkering respectievelijk een arbeidsongeschiktheidsuitkering- die volgens de belastingverdragen met die landen exclusief aan deze landen waren toegewezen. Beiden kozen voor een fiscale behandeling als binnenlands belastingplichtige. Bij de vaststelling van de aanslagen inkomstenbelasting over 2007 had de inspecteur onder meer een berekening gemaakt van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Hij had daarbij ook rekening gehouden met de pensioenuitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Hoge Raad was van oordeel dat dat terecht was. Om te bereiken dat buitenlandse belastingplichtigen door toepassing van de keuzeregeling zodanig in de heffing worden betrokken dat hen gelijke voordelen toekomen als binnenlandse belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, wordt de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting bepaald volgens de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud. Deze methode leidt ertoe dat het Nederlandse inkomen wordt belast naar het gemiddelde tarief dat zou gelden in geval van heffing over het wereldinkomen. Het progressievoorbehoud kan onder omstandigheden ertoe leiden dat Nederland door de progressieve tariefstructuur over de buitenlandse inkomensbestanddelen meer belasting heft dan de andere verdragsstaat.

Bron: Hoge Raad, 31-1-2014, nrs. 12/02201 en 12/05227